De tijd vliegt…


Lang geleden alweer. Lang geleden dat ik een post heb geplaatst op mijn weblog, maar ook lang geleden dat ik mijn vader heb gezien. Het is vandaag precies vier jaar geleden dat ik mijn vader voor het laatst heb gezien. Achteraf gezien een rare, maar heel fijne avond.

 

Dat weekend logeerde mijn moeder bij mij. Zaterdag zijn we gaan winkelen. Zoals we gewend waren, hebben we die middag veel te veel geld uitgegeven. Ook hebben we foto’s van onszelf laten maken, dat vonden we grappig. Iets wat we normaal nooit deden. We dachten dat het wel een leuk cadeau zou zijn voor mijn vader.

 

Zondags ging mijn moeder weer naar huis. Terwijl ze in de auto zat, belde ik haar. “Zal ik anders ook naar Lelystad komen, en gezellig samen eten? Dan rij ik daarna wel weer terug naar Groningen”. Eigenlijk deed ik dat nooit, voor alleen een korte avond heen en weer rijden. Maar die avond leek me dat een uitstekend plan. Zo gezegd, zo gedaan.

 

Omdat mijn ouders niet op mijn komst hadden gerekend (niet heel Italiaans trouwens) besloten we pizza’s te bestellen. Echte Italiaanse pizza’s gemaakt door de Turk. Zo gaat dat in Lelystad. Terwijl we de pizza’s aan het eten waren, zei mijn vader opeens tegen mij: “Juliette, je moet je wel bedenken dat er eens een dag gaat komen dat je vader er niet meer is. Ik ben ook de jongste niet meer en je zult het een keer zonder je vader moeten doen.” Ik schrok er een beetje van en om die schrik te maskeren, reageerde ik boos en fel naar mijn vader. Ik vond niet dat hij zulke onnozele en stomme dingen moest zeggen. Daarop sloeg mijn vader zijn grote, gebruinde en sterke arm om mij heen en gaf me een kus op mijn wang. Diezelfde avond reed ik weer terug naar Groningen. Nietsvermoedend (gelukkig).

 

Drie dagen later, op schrikkeldag, zou mijn vader een hersenbloeding krijgen. Ik heb hem niet meer kunnen spreken. Tegen de tijd dat ik in Lelystad was, lag mijn vader al in een coma. En dat is nu vier jaar geleden. Vanavond vlieg ik naar Italië, naar het graf van mijn vader, maar vooral ook naar mijn zus en mijn ooms, tantes, neven en nichten. Elk jaar herdenken wij weer zijn dood, elk jaar met heel veel eten, wijn en gelach. Precies zoals het hoort in een Italiaanse familie. En hoe gek het misschien klinkt, ik verheug me er altijd op dat weerzien.

 

Ik vlieg zometeen dus even terug in de tijd…

(en zal vanuit Italië nog een post plaatsen)



Thuiskomen


In mijn vorige blogpost beschreef ik hoe ik mij toerist voelde in eigen land. Dat heb ik mij de rest van die week nog gevoeld. Van Rome ben ik naar Toscane gereisd, vanuit Cortona heb ik steden als Assisi, Firenze, Siena en Perugia bezocht. Tussen alle andere fotograferende toeristen stond ik ook braaf, weliswaar met mijn iPhone, maar het idee was hetzelfde. Het enige verschil was dat ik de taal machtig ben en dat scheelt een hoop. Misschien is het ijdele hoop, maar ik denk dan toch dat ik minder snel belazerd word.

 

Inmiddels zijn we een week verder, niet meer in Toscane, maar in de prachtige Emilia Romagna. De streek in Italië waar ik geboren ben. En elke keer weer, voelt het als thuiskomen. Alsof ik nooit weg ben geweest. Dat ligt waarschijnlijk ook aan het feit dat hier niet zo gek veel verandert.

 

Het dorpje waar ik geboren ben, is San Vito. Een heel klein boerendorpje. Waar de slager mijn oom is en de bakker mijn tante (bij wijze van spreken). Precies zoals in de Bertolli reclame. Vrouwen lopen hier overdag in oude bloemetjesjurken met sloffen eronder. De hele dag zijn zij bezig te koken, verse pasta, verse taart of tiramisu. Dat doen zij voor hun mannen, die op hun beurt overdag in lange broeken met witte hemden op hun vespa’s rond rijden. Ze rijden voornamelijk van hun huis naar de bar en weer terug. Dit doen zij een paar keer per dag Het is hier namelijk gebruik om ’s morgens te ontbijten in de bar, na de lunch je kopje espresso te drinken en ’s avonds na het diner ook weer je kopje espresso te drinken in de bar. In deze kop espresso gaat van vaak wat sterke drank, zoals sambuca en wordt gedronken tijdens een van de vele voetbalwedstrijden of voetbalprogramma’s op de televisie. De oudere mannen in de kroeg kaarten ondertussen ook heel fanatiek, met als inleg: nootjes!

 

De slonzige oude vrouwen en onaantrekkelijke mannen veranderen in heuse filmsterren als zij ergens naartoe moeten, of zondag naar de kerk gaan. De mooiste kleren komen te voorschijn en klopt dan toch wat gezegd wordt over Italië als modeland.

 

San Vito is ook een dorp waar elk jaar twee grote pleinfeesten georganiseerd worden, ook hier moet je de reclame van Bertolli weer voor ogen houden. Eén  door de communistische partij en één door de kerk. Jullie kunnen denk ik al raden welke net wat gezelliger is. Zulke feesten worden hier professioneel aangepakt. Grote lange tafels staan naast elkaar, met geblokte tafelkleden, wijn in overvloed en een compleet varken draaiend aan het spit. Een gigantisch danspodium wordt er neergezet en overal kraampjes met prullaria te koop. Alle oudere dames en heren, in prachtige jurken en overhemden, dansen dan de hele avond op melancholische accordeonmuziek. Misschien is het ook dankzij deze herinneringen dat ik weemoedig word van de accordeonman voor de Greving en Greving in Groningen en elke keer dat ik langs loop tóch wat in zijn pet gooi.

 

Als wij, mijn ouders en ik, tijdens vakanties het geluk hadden om er te zijn terwijl er een dorpsfeest was, waren wij ook altijd een paar avonden van de partij. Opgetut en wel liepen wij dat plein op. Het duurde nooit langer dan drie minuten voordat ik een harde kreet van de andere kant van het plein hoorde en direct daarna mijn vader die kreet hoorde beantwoorden met zo’n zelfde schreeuw. De eerste vriend van vroeger was gespot. Niet veel later stond er een grote kring om mijn vader, en om mijn moeder en mij, en werd er hard gelachen en geschreeuwd. Want dat is ook typisch, Italianen praten over het algemeen met net wat harder dan Nederlanders. Overal kwamen de oude vrienden vandaan die mij stuk voor stuk in mijn wang knepen en me wilde uitleggen dat ik ooit echt een heel klein meisje ben geweest. Achteraf hoorde ik dan van mijn vader dat hij met die vriend op school had gezeten, en met de zus van de andere vriend had hij verkering gehad, bij de vader van de derde vriend had hij nog eens een zomer geholpen. Kortom, eindeloze verhalen over vroeger. Op dat moment besefte ik niet hoe bijzonder dat was, ik was tenslotte niet anders gewend. Maar als ik er nu aan terugdenk zie ik hoe bijzonder die avonden eigenlijk waren.

 

San Vito is inmiddels ook helaas de plaats waar mijn vader begraven ligt. Hoe we dat voor elkaar hebben gekregen is een blogpost op zich waard, ik zou bijna willen zeggen: dat heeft nog heel wat voeten in de aarde gehad. Maar inmiddels ligt hij er al drie-en-een-half jaar. De begraafplaats is mooi, sereen, maar ook heel levendig. De mensen liggen hier óf in de grond óf ‘in de muur’. Ik durf zonder enige twijfel te zeggen dat er geen graf in San Vito is, waar geen prachtig gekleurde bloemen staan. In zo’n klein dorpje heeft een graf nog heel veel waarde voor de mensen die er wonen. Elke woensdag en zaterdag staat er een kraampje waar je verse bloemen kunt kopen. Heel even zie je dan al die vrouwen, in oude bloemetjesjurken, ijverig het graf van een geliefd familielid verzorgen. Met heel veel liefde wordt het marmer schoongepoetst, de bloemen vervangen en het gras tussen het grind vandaan geplukt. Het klinkt misschien vreemd, maar ik kom er heel graag. Het is het eerste wat ik doe als ik in de Emilia Romagna ben, even langs mijn vader.

 

Ondanks het feit dat ik vier jaar oud was toen ik naar Nederland verhuisde, is de Emilia Romagna voor mij toch echt mijn thuis!



Toerist in eigen land


De vakantie is eindelijk begonnen. Natuurlijk ging ook dit jaar de reis naar Italië, het land waar ik geboren ben. Dit keer was ik echter toerist. Een echte. Met kaart, zonnebrandcrème en een onnozele blik.

 

De afgelopen paar dagen ben ik in Rome geweest. De stad van de Paus, Benedictus XVI in dit geval. Maar ook de stad met Romeinse ruïnes, ontelbaar veel bars, arrogante obers, een extreem vriendelijke carabiniere, veel te dure ijsjes en suïcidale verkeersdeelnemers. Kortom, een wereldstad.

 

Ik had van te voren niet gedacht dat ik zo onder de indruk zou zijn. De combinatie van ruïnes uit de Oudheid, de romantische architectuur uit de 20ste eeuw en het drukke, moderne stadsleven maakt Rome heel bijzonder. Een weekend is eigenlijk te kort. Ik heb de benen onder mijn lijf gelopen, en hoe toepasselijk, mijn voeten zingen inmiddels het Wilhelmus.

 

In vergelijking met de Emilia Romagna, waar ik vandaan kom, vind ik de Italianen hier bijzonder arrogant. Vooral bij de obers is te merken dat ze, na een lange zomer, genoeg toeristen hebben gezien. Ik vind het dan ook zeer vermakelijk om een onvriendelijk ober in het Italiaans te antwoorden als hij in het gebrekkig Engels (met een schattig accent) tegen me aan begint te praten. Ook de prijzen zijn aangepast aan de vele toeristen. Je betaalt met gemak 60 euro voor drie pizza’s en drie glazen fris.

 

Over de carabinieri ben ik daarentegen een stuk beter te spreken. Wát een vriendelijke mensen. In Italië heb je de polizia en de carabinieri. De polizia zijn eigenlijk een soort ‘klaar-over-ambtenaren’ en de carabinieri zijn vergelijkbaar met onze marechaussee. Na vele kilometers door Rome geslenterd te hebben, vroeg ik een niet verkeerd ogende carabiniere de weg. Nadat hij me de weg gewezen had complimenteerde hij me met mijn tatoeage. Hij vroeg tot hoever deze doorliep. Uiteraard bedacht ik me geen moment en tilde mijn hemdje op om dat te laten zien. Nóg een keer vertelde hij me dat hij deze heel erg mooi vond, mooi gezet en een mooi ontwerp. De carabinieri kunnen bij mij niet meer stuk, dat begrijpen jullie wel.

 

Als ik met anderen over mijn geboorteland praat, komt ook vaak de rijstijl van de Italianen aan bod. Roekeloos. Ze rijden meer op de linkerbaan dan de rechterbaan, als je haast hebt kun je dus beter uiterst rechts gaan rijden. Knipperlichten zijn ook vaak een optie op auto’s, waar de meeste Italianen geen geld voor hebben. Hoe duur hun Alfa of Ferrari ook was. Zelf vind ik het wel meevallen en eigenlijk alleen de rijbeleving bevorderen, maar ik moet toegeven dat ik het in Rome een ander verhaal vind. Ik heb dan ook dankbaar gebruik gemaakt van het Openbaar Vervoer, wat hier een stuk beter geregeld is dan in Nederland. Geen ov-chip-gedonder  en niet kloppende reisschema’s. En als je van de herenliefde bent zit je ook zeker goed in Rome. Om de paar honderd meter kun je in de bus stappen die je naar Gay Village brengt. Daar word je bediend door obers die, áls ze wat aan hebben, op hun shirt “coming out” hebben staan. Een echte wereldstad.

 

In het Vaticaan zijn ze opmerkelijk minder ruimdenkend. Ik mocht helaas niet de Sint Pieter in met mijn korte broek en hemdje. Op zich had ik dit, met mijn katholieke achtergrond, ook kunnen bedenken, maar het was mij compleet ontschoten. Ik ben geweigerd in het Huis van God. Om toch de basiliek te kunnen bewonderen, heb ik als echte toerist een paar énige omslagdoeken gekocht, met afbeeldingen van Rome erop en heb nog eens een half uur in de brandende zon in de rij gestaan. De basiliek ben ik in geweest. Prachtig. En dankzij de doeken ook voor iedereen te herkennen als toerist.

 

Toerist in eigen land. Nu op naar Toscane.