De tijd vliegt…


Lang geleden alweer. Lang geleden dat ik een post heb geplaatst op mijn weblog, maar ook lang geleden dat ik mijn vader heb gezien. Het is vandaag precies vier jaar geleden dat ik mijn vader voor het laatst heb gezien. Achteraf gezien een rare, maar heel fijne avond.

 

Dat weekend logeerde mijn moeder bij mij. Zaterdag zijn we gaan winkelen. Zoals we gewend waren, hebben we die middag veel te veel geld uitgegeven. Ook hebben we foto’s van onszelf laten maken, dat vonden we grappig. Iets wat we normaal nooit deden. We dachten dat het wel een leuk cadeau zou zijn voor mijn vader.

 

Zondags ging mijn moeder weer naar huis. Terwijl ze in de auto zat, belde ik haar. “Zal ik anders ook naar Lelystad komen, en gezellig samen eten? Dan rij ik daarna wel weer terug naar Groningen”. Eigenlijk deed ik dat nooit, voor alleen een korte avond heen en weer rijden. Maar die avond leek me dat een uitstekend plan. Zo gezegd, zo gedaan.

 

Omdat mijn ouders niet op mijn komst hadden gerekend (niet heel Italiaans trouwens) besloten we pizza’s te bestellen. Echte Italiaanse pizza’s gemaakt door de Turk. Zo gaat dat in Lelystad. Terwijl we de pizza’s aan het eten waren, zei mijn vader opeens tegen mij: “Juliette, je moet je wel bedenken dat er eens een dag gaat komen dat je vader er niet meer is. Ik ben ook de jongste niet meer en je zult het een keer zonder je vader moeten doen.” Ik schrok er een beetje van en om die schrik te maskeren, reageerde ik boos en fel naar mijn vader. Ik vond niet dat hij zulke onnozele en stomme dingen moest zeggen. Daarop sloeg mijn vader zijn grote, gebruinde en sterke arm om mij heen en gaf me een kus op mijn wang. Diezelfde avond reed ik weer terug naar Groningen. Nietsvermoedend (gelukkig).

 

Drie dagen later, op schrikkeldag, zou mijn vader een hersenbloeding krijgen. Ik heb hem niet meer kunnen spreken. Tegen de tijd dat ik in Lelystad was, lag mijn vader al in een coma. En dat is nu vier jaar geleden. Vanavond vlieg ik naar Italië, naar het graf van mijn vader, maar vooral ook naar mijn zus en mijn ooms, tantes, neven en nichten. Elk jaar herdenken wij weer zijn dood, elk jaar met heel veel eten, wijn en gelach. Precies zoals het hoort in een Italiaanse familie. En hoe gek het misschien klinkt, ik verheug me er altijd op dat weerzien.

 

Ik vlieg zometeen dus even terug in de tijd…

(en zal vanuit Italië nog een post plaatsen)



Thuiskomen


In mijn vorige blogpost beschreef ik hoe ik mij toerist voelde in eigen land. Dat heb ik mij de rest van die week nog gevoeld. Van Rome ben ik naar Toscane gereisd, vanuit Cortona heb ik steden als Assisi, Firenze, Siena en Perugia bezocht. Tussen alle andere fotograferende toeristen stond ik ook braaf, weliswaar met mijn iPhone, maar het idee was hetzelfde. Het enige verschil was dat ik de taal machtig ben en dat scheelt een hoop. Misschien is het ijdele hoop, maar ik denk dan toch dat ik minder snel belazerd word.

 

Inmiddels zijn we een week verder, niet meer in Toscane, maar in de prachtige Emilia Romagna. De streek in Italië waar ik geboren ben. En elke keer weer, voelt het als thuiskomen. Alsof ik nooit weg ben geweest. Dat ligt waarschijnlijk ook aan het feit dat hier niet zo gek veel verandert.

 

Het dorpje waar ik geboren ben, is San Vito. Een heel klein boerendorpje. Waar de slager mijn oom is en de bakker mijn tante (bij wijze van spreken). Precies zoals in de Bertolli reclame. Vrouwen lopen hier overdag in oude bloemetjesjurken met sloffen eronder. De hele dag zijn zij bezig te koken, verse pasta, verse taart of tiramisu. Dat doen zij voor hun mannen, die op hun beurt overdag in lange broeken met witte hemden op hun vespa’s rond rijden. Ze rijden voornamelijk van hun huis naar de bar en weer terug. Dit doen zij een paar keer per dag Het is hier namelijk gebruik om ’s morgens te ontbijten in de bar, na de lunch je kopje espresso te drinken en ’s avonds na het diner ook weer je kopje espresso te drinken in de bar. In deze kop espresso gaat van vaak wat sterke drank, zoals sambuca en wordt gedronken tijdens een van de vele voetbalwedstrijden of voetbalprogramma’s op de televisie. De oudere mannen in de kroeg kaarten ondertussen ook heel fanatiek, met als inleg: nootjes!

 

De slonzige oude vrouwen en onaantrekkelijke mannen veranderen in heuse filmsterren als zij ergens naartoe moeten, of zondag naar de kerk gaan. De mooiste kleren komen te voorschijn en klopt dan toch wat gezegd wordt over Italië als modeland.

 

San Vito is ook een dorp waar elk jaar twee grote pleinfeesten georganiseerd worden, ook hier moet je de reclame van Bertolli weer voor ogen houden. Eén  door de communistische partij en één door de kerk. Jullie kunnen denk ik al raden welke net wat gezelliger is. Zulke feesten worden hier professioneel aangepakt. Grote lange tafels staan naast elkaar, met geblokte tafelkleden, wijn in overvloed en een compleet varken draaiend aan het spit. Een gigantisch danspodium wordt er neergezet en overal kraampjes met prullaria te koop. Alle oudere dames en heren, in prachtige jurken en overhemden, dansen dan de hele avond op melancholische accordeonmuziek. Misschien is het ook dankzij deze herinneringen dat ik weemoedig word van de accordeonman voor de Greving en Greving in Groningen en elke keer dat ik langs loop tóch wat in zijn pet gooi.

 

Als wij, mijn ouders en ik, tijdens vakanties het geluk hadden om er te zijn terwijl er een dorpsfeest was, waren wij ook altijd een paar avonden van de partij. Opgetut en wel liepen wij dat plein op. Het duurde nooit langer dan drie minuten voordat ik een harde kreet van de andere kant van het plein hoorde en direct daarna mijn vader die kreet hoorde beantwoorden met zo’n zelfde schreeuw. De eerste vriend van vroeger was gespot. Niet veel later stond er een grote kring om mijn vader, en om mijn moeder en mij, en werd er hard gelachen en geschreeuwd. Want dat is ook typisch, Italianen praten over het algemeen met net wat harder dan Nederlanders. Overal kwamen de oude vrienden vandaan die mij stuk voor stuk in mijn wang knepen en me wilde uitleggen dat ik ooit echt een heel klein meisje ben geweest. Achteraf hoorde ik dan van mijn vader dat hij met die vriend op school had gezeten, en met de zus van de andere vriend had hij verkering gehad, bij de vader van de derde vriend had hij nog eens een zomer geholpen. Kortom, eindeloze verhalen over vroeger. Op dat moment besefte ik niet hoe bijzonder dat was, ik was tenslotte niet anders gewend. Maar als ik er nu aan terugdenk zie ik hoe bijzonder die avonden eigenlijk waren.

 

San Vito is inmiddels ook helaas de plaats waar mijn vader begraven ligt. Hoe we dat voor elkaar hebben gekregen is een blogpost op zich waard, ik zou bijna willen zeggen: dat heeft nog heel wat voeten in de aarde gehad. Maar inmiddels ligt hij er al drie-en-een-half jaar. De begraafplaats is mooi, sereen, maar ook heel levendig. De mensen liggen hier óf in de grond óf ‘in de muur’. Ik durf zonder enige twijfel te zeggen dat er geen graf in San Vito is, waar geen prachtig gekleurde bloemen staan. In zo’n klein dorpje heeft een graf nog heel veel waarde voor de mensen die er wonen. Elke woensdag en zaterdag staat er een kraampje waar je verse bloemen kunt kopen. Heel even zie je dan al die vrouwen, in oude bloemetjesjurken, ijverig het graf van een geliefd familielid verzorgen. Met heel veel liefde wordt het marmer schoongepoetst, de bloemen vervangen en het gras tussen het grind vandaan geplukt. Het klinkt misschien vreemd, maar ik kom er heel graag. Het is het eerste wat ik doe als ik in de Emilia Romagna ben, even langs mijn vader.

 

Ondanks het feit dat ik vier jaar oud was toen ik naar Nederland verhuisde, is de Emilia Romagna voor mij toch echt mijn thuis!



Toerist in eigen land


De vakantie is eindelijk begonnen. Natuurlijk ging ook dit jaar de reis naar Italië, het land waar ik geboren ben. Dit keer was ik echter toerist. Een echte. Met kaart, zonnebrandcrème en een onnozele blik.

 

De afgelopen paar dagen ben ik in Rome geweest. De stad van de Paus, Benedictus XVI in dit geval. Maar ook de stad met Romeinse ruïnes, ontelbaar veel bars, arrogante obers, een extreem vriendelijke carabiniere, veel te dure ijsjes en suïcidale verkeersdeelnemers. Kortom, een wereldstad.

 

Ik had van te voren niet gedacht dat ik zo onder de indruk zou zijn. De combinatie van ruïnes uit de Oudheid, de romantische architectuur uit de 20ste eeuw en het drukke, moderne stadsleven maakt Rome heel bijzonder. Een weekend is eigenlijk te kort. Ik heb de benen onder mijn lijf gelopen, en hoe toepasselijk, mijn voeten zingen inmiddels het Wilhelmus.

 

In vergelijking met de Emilia Romagna, waar ik vandaan kom, vind ik de Italianen hier bijzonder arrogant. Vooral bij de obers is te merken dat ze, na een lange zomer, genoeg toeristen hebben gezien. Ik vind het dan ook zeer vermakelijk om een onvriendelijk ober in het Italiaans te antwoorden als hij in het gebrekkig Engels (met een schattig accent) tegen me aan begint te praten. Ook de prijzen zijn aangepast aan de vele toeristen. Je betaalt met gemak 60 euro voor drie pizza’s en drie glazen fris.

 

Over de carabinieri ben ik daarentegen een stuk beter te spreken. Wát een vriendelijke mensen. In Italië heb je de polizia en de carabinieri. De polizia zijn eigenlijk een soort ‘klaar-over-ambtenaren’ en de carabinieri zijn vergelijkbaar met onze marechaussee. Na vele kilometers door Rome geslenterd te hebben, vroeg ik een niet verkeerd ogende carabiniere de weg. Nadat hij me de weg gewezen had complimenteerde hij me met mijn tatoeage. Hij vroeg tot hoever deze doorliep. Uiteraard bedacht ik me geen moment en tilde mijn hemdje op om dat te laten zien. Nóg een keer vertelde hij me dat hij deze heel erg mooi vond, mooi gezet en een mooi ontwerp. De carabinieri kunnen bij mij niet meer stuk, dat begrijpen jullie wel.

 

Als ik met anderen over mijn geboorteland praat, komt ook vaak de rijstijl van de Italianen aan bod. Roekeloos. Ze rijden meer op de linkerbaan dan de rechterbaan, als je haast hebt kun je dus beter uiterst rechts gaan rijden. Knipperlichten zijn ook vaak een optie op auto’s, waar de meeste Italianen geen geld voor hebben. Hoe duur hun Alfa of Ferrari ook was. Zelf vind ik het wel meevallen en eigenlijk alleen de rijbeleving bevorderen, maar ik moet toegeven dat ik het in Rome een ander verhaal vind. Ik heb dan ook dankbaar gebruik gemaakt van het Openbaar Vervoer, wat hier een stuk beter geregeld is dan in Nederland. Geen ov-chip-gedonder  en niet kloppende reisschema’s. En als je van de herenliefde bent zit je ook zeker goed in Rome. Om de paar honderd meter kun je in de bus stappen die je naar Gay Village brengt. Daar word je bediend door obers die, áls ze wat aan hebben, op hun shirt “coming out” hebben staan. Een echte wereldstad.

 

In het Vaticaan zijn ze opmerkelijk minder ruimdenkend. Ik mocht helaas niet de Sint Pieter in met mijn korte broek en hemdje. Op zich had ik dit, met mijn katholieke achtergrond, ook kunnen bedenken, maar het was mij compleet ontschoten. Ik ben geweigerd in het Huis van God. Om toch de basiliek te kunnen bewonderen, heb ik als echte toerist een paar énige omslagdoeken gekocht, met afbeeldingen van Rome erop en heb nog eens een half uur in de brandende zon in de rij gestaan. De basiliek ben ik in geweest. Prachtig. En dankzij de doeken ook voor iedereen te herkennen als toerist.

 

Toerist in eigen land. Nu op naar Toscane.

 



Genen


Dit wordt waarschijnlijk een blogpost waar mijn moeder niet heel blij mee zal zijn. Met goede vriendin L. had ik het laatst over nature en nurture. Wat is nou bepaald door je opvoeding en je omgeving en wat wordt bepaald door je genen? Interessante vraag.

 

Hoe kom ik hier nu op? Volgende week ga ik op vakantie. Uiteraard ga ik naar Italie, het land waar ik geboren ben en waar een groot deel van mijn familie woont. Een deel van mijn genen komt dus daar vandaan. Maar de overerving waar ik het nú over wil hebben, komt van mijn Nederlandse kant. Van mijn moeder om precies te zijn.

 

Vanaf dat ik heel klein ben, gaan wij elk jaar weer op vakantie naar Italie. Een hele happening natuurlijk en voor een kind van zes ook reuze spannend. Niet alleen voor het kind van zes was het spannend, de moeder van 36 vond het duidelijk ook stressvol. De zogenaamde vakantiestress voelde mijn moeder elk jaar weer. En hierdoor ook het hele gezin.

 

De stress begon elk jaar –gelukkig pas- de dag voor vertrek. De laatste wasjes moesten nog gedraaid worden, boodschappen gedaan en een extra voorraad insuline moest met spoed gehaald worden bij de apotheek. Deze laatste klusjes gingen altijd gepaard met fikse ruzies tussen mijn ouders. Mijn vader liep de hele dag zenuwachtig rondjes door het huis en vroeg daarbij iedere vijf minuten of mijn moeder dit of dat al had ingepakt. Bij iedere vraag reageerde mijn moeder geirriteerder totdat er heel hard met deuren werd gesmeten. Dat was het moment waarop mijn vader een rondje door het bos ging maken en mijn moeder -mopperend- begon met inpakken.

 

Dit ritueel heb ik als ik kind nooit begrepen. Overigens vond er met kerst zo’n zelfde soort ritueel plaats, daar kom ik wellicht over een paar maanden nog op terug. Vakantie was toch leuk? En we gingen toch elk jaar weer naar hetzelfde land? Het land waar mijn beide ouders nota bene hebben gewoond en de taal meer dan goed spraken?

 

Inmiddels snap ik het wat beter. Mijn vader was waarschijnlijk al weken van te voren gespannen om zijn familie weer te zien. Daarnaast moet ik eerlijk zeggen dat mijn vader eigenlijk áltijd en óveral gespannen voor was. Vóór de voetbalwedstrijden van zijn club –Juventus- of het nationale elftal ging hij bijvoorbeeld naar de huisarts om kalmeringsmiddelen te halen. In Italie kan dat. En als hij dan eindelijk, mét de kalmeringsmiddelen, voor de tv zat, moest hij altijd het vuilnis buiten gaan zetten –of andere onbelangrijke dingen doen- op het moment dat het spannend werd. Zo heeft hij geloof ik nog nooit een strafschop live gezien.

 

Mijn moeder is daarentegen eigenlijk nooit gespannen. De rust zelve, wat dit soort dingen betreft. Heel nuchter. Zij zal zich nooit lange tijd van te voren ergens druk om maken, om met haar woorden te spreken: “men lijdt het meest door het lijden dat men vreest”. Mijn moeder begint alleen met alles op het laatste moment en dan kan het een en ander nog wel eens stressvol worden.

 

Na deze korte uitleg van mijn genenpakket is het dan ook niet heel verwonderlijk dat ik al een week zenuwachtig door huis loop, maar nog niks nuttigs heb gedaan. Alle wasjes moeten nog gedraaid worden, een aantal boodschappen moeten nog gedaan worden en aan inpakken heb ik nog niet eens gedacht.

 

Drie keer raden wat ik nu ga doen…



Vriendschap


Sine amicitia vita esse nullam – Cicero

 

Dit is een heel bekend citaat van Marcus Tullius Cicero. Hij was een Romeins filosoof en politicus die in de eerste eeuw voor Christus leefde. Het was een bijzonder man die ondanks het feit dat hij meer dan 21 eeuwen geleden geboren is, vrij moderne denkbeelden had die ook in deze tijd passen. Zo had hij een hekel aan de rijke families die in die tijd alle politieke macht bezaten, aan het voeren van oorlogen en was hij een groot voorstander van de republiek. Ook helemaal passend in de huidige tijdsgeest, hij scheidde van zijn vrouw na een huwelijk van 31 jaar. Ook zijn ondergang is ons niet vreemd, hij is op een gruwelijke manier onthoofd door zijn politieke tegenstander Octavianus.

 

Dit zijn de sappige details uit het leven van Cicero die mij zijn bijgebleven tijdens de lange en saaie lessen Latijn op de middelbare school. Veel meer heb ik eigenlijk ook niet onthouden van die lessen, ondanks het feit dat Cicero mijn eindexamenschrijver was. Hetgeen wel veel indruk op me heeft gemaakt, zijn zijn teksten over (de ideale) vriendschap (‘De amicitia’  – 44 A.C.)

 

Ook nu, in onze tijd, wordt er veel onderzoek gedaan naar het effect van vriendschap. Zo zouden collectivistische samenlevingen hoger scoren op het construct geluk dan individualistische samenlevingen. Ook zijn er onderzoekers die beweren dat mensen met intensieve vriendschappen langer zullen leven. Het mag duidelijk zijn dat het een gewild onderwerp is, ook bij mij.

 

Zelf kan ik mijn echt goede vrienden op één hand tellen. En eigenlijk spreek ik ze niet eens dagelijks. Maar op de een of andere manier is dat ook niet nodig, niet als het gaat om echte vriendschappen. De vijf goede vrienden die ik heb, kan ik indelen in categorieen. Ik zal ze hier kort beschrijven en misschien herken je jezelf er wel in.

 

De familie

Met deze vriend ben ik samen opgegroeid. We kwamen al bij elkaar over de vloer vanaf ons vierde jaar en hebben werkelijk álles samen meegemaakt. Samen naar school, samen vervelen tijdens de lessen Latijn, onze eerste zoenen en eerste vriendjes. Ook onze ouders komen bij elkaar over de vloer. Het is totaal vertrouwd. Hierdoor ook zo ontzettend dierbaar. We hebben aan één woord genoeg en weten precies van elkaar hoe we in elkaar zitten. Het is eigenlijk meer een zus.

 

De kopie

Ook deze vriendschap is al oud. Heel turbulent ook. Als kind vlogen we elkaar letterlijk in de haren en dreven we onze ouders tot waanzin met de eindeloze discussies. Die altijd resulteerden in ruzies om vervolgens weer elkaar in de haren te vliegen. Een vicieuze cirkel. Dit was het gevolg van twee exact dezelfde karakters. Exact hetzelfde tot in het extreme, we deelden dezelfde naam, dezelfde hobbys, (bijna) dezelfde tweetalige opvoeding, dezelfde kleren en hetzelfde temperament.

 

De volwassen vriendschap

Dit is een vriendschap die gevormd is op ‘latere’ leeftijd. Op het moment dat de grootste dingen al bepaald zijn en er al lang niet meer zoveel onzeker is. Juist dan is het fijn om te merken dat je soms toch dezelfde onzekerheden kunt hebben en die bij elkaar kwijt kunt. Een vriendschap die is gebaseerd op extreme loyaliteit en trouw. Deze is mij, in heel korte tijd, heel veel waard geworden.

 

De goudeerlijke vriendschap

Ik ken niemand die zo eerlijk is als deze vriend. Eerlijk tot op het bot. Waar het ook over gaat en of het nou leuk is of niet. Zulke vrienden heb ik nodig. Het is vaak erg confronterend, maar ook zo geruststellend om te weten dat iemand je niet zal sparen en zegt waar het op staat. Het feit dat deze vriend daarnaast ook extreem trouw en loyaal is, maakt het een bijzonder persoon.

 

Als het erop aankomt

Van deze vriend weet ik dat die er is, als ik hem nodig heb. Dit kan ik met zekerheid zeggen. Een paar jaar geleden, na het overlijden van mijn vader, heb ik vrij weinig energie gestoken in vriendschappen. En hoewel wij elkaar nog maar een half jaar kenden, belde deze vriend mij iedere week. Of ik nou de telefoon opnam of niet, elke keer weer. Nooit een verwijt, altijd alleen maar vriendschap en lol. Dit is eigenlijk ook nooit meer veranderd. Het is de grootste en liefste mafkees die ik ken.

 

Kortom, om terug te komen op de wijze woorden van Cicero: zonder vriendschap is een leven niets waard. En ik mag niet klagen…

 




Gewoonten


Voor degenen die mij een beetje kennen, zal deze blogpost als een verrassing komen. Ga even zitten, haal diep adem, hier komt het: ik sport. En ik sport zelfs vrij fanatiek. Drie á vier keer per week haal ik tegenwoordig makkelijk. Hoe dit kan is mij eigenlijk ook nog steeds een raadsel. Ik leefde zo ‘fanatiek’ volgens het principe: liever lui dan moe. Inmiddels lijkt mijn lijfspreuk meer: no pain, no gain.

 

Als kind heb ik altijd vrij fanatiek gesport. Het begon ooit met klassiek ballet, die pret was echter gauw voorbij toen bleek dat ik niet de beste kon worden. Ik deed mee aan de selectie voor de balletacademie in Amsterdam, maar daar bleek heel snel dat mijn spieren te kort waren voor een professionele danscarriere. Radicaal ben ik gestopt. Vanaf dat moment heb ik nooit meer mijn spitzen aangeraakt. Hockey werd mijn nieuwe sport, inclusief alle hockeyfeestjes. Want onderschat dat niet, ook dat is topsport. Ook hier is de weerklank van mijn oude lijfspreuk te horen, liever lui dan moe. Liever de feestjes dan de actie.

 

Toch werd het nu, bijna een jaar geleden, echt eens tijd om een goed voornemen om te zetten in een goede gewoonte. Hardlopen had ik al eens een tijd gedaan, maar dat paste toch niet zo heel goed bij me. Net als met crosstrainen, wat ik daarna heb gedaan, zijn duursporten niet mijn favoriete bezigheden. Jezelf iedere keer weer moeten motiveren om uberhaupt te beginnen en dan ook tijdens de activiteit zelf de kracht vinden om het vol te houden, dat was niks voor mij. Door een goede tip van een collega ben ik gaan fitnessen. Niet in een sportschool vol klerenkasten, maar lekker thuis. Op de momenten waarop het mij het beste uitkomt. En dat is meestal ‘s avonds na 12 uur –het mag duidelijk zijn, ik ben een avondmens-.

 

Braaf werk ik drie keer per week mijn programma af, gecoacht door Tony Horton. Dit is een bekende Amerikaanse fitnesinstructeur die het programma P90X heeft ontwikkeld. Een heuse rage in Amerika,  waar zelfs Bruno Mars over zingt in de ‘Lazy song’.

 

Kortom, met dank aan de collega en Tony Horton heb ik het goede voornemen omgezet naar een goede gewoonte. Maar dat valt nog niet mee. Voordat je iets een gewoonte mag noemen, moet je het minstens 30 dagen volgehouden hebben. Pas dan is het voldoende geconditioneerd om ook echt een gewoonte te zijn. Heel bekend is ook het principe van de 30-day trial, populair gemaakt door Steve Pavlina.

 

Nog een paar tips die voor mij hebben gewerkt:

  • Richt je op maximaal één verandering per maand.

Wil je teveel tegelijk dan is het resultaat vaak dat er van geen van de voornemens iets terecht komt.

  • Schrijf je doel op papier.

Hierdoor wordt het serieuzer en officieler. Doordat je het concreet op papier hebt staan, zul je het doel ook serieus nemen. Daarnaast kan het ook verhelderend werken als je het moet opschrijven.

  • Vermijd negatieve gedachten over jezelf of over het doel wat je hebt.

Betrap je jezelf op negatieve gedachten? Buig ze dan om naar positievere. Voorbeeld, denk niet:Ik houd het toch nooit vol, maar denk: ik heb nu al drie keer gesport en dat is al een stuk meer dan ik daarvoor deed.

  • Beloon jezelf als je iets bereikt hebt!

Deze tip is heel belanrgrijk, die mag je nooit vergeten! Ik ben er zelf ook vrij goed in…

 

Nu lijkt het alsof ik het allemaal heel goed weet, maar dat valt vies tegen. Er zijn nog meer dan genoeg slechte gewoonten die ik nog moet aanpakken. Niet elke week de afwas laten staan totdat werkelijk alle borden in gebruik zijn, lege flessen shampoo weggooien en niet weken –of maanden- in de douche laten staan, de schone was direct uit de wasmachine halen, opnieuw leren fietsen…

 

Oftewel: 1 down, 43554722… to go!



Twijfels…


Al heel lang loop ik met het idee rond om een blog te beginnen. Het is inmiddels al lang niet hip meer, maar schrijven is altijd al mijn hobby geweest. Hoe kan het ook anders met een moeder die haar geld heeft verdiend met schrijven. Het is me, zo gezegd, met de paplepel ingegoten. Alle benodigdheden zijn er ook, een mooi opgeruimd bureau, tijd en een heerlijk kleine en lichte Macbook Air. Bijna een beetje zoals Carrie Bradshaw in Sex and the City, maar dan zonder de spannende Sex and the City verhalen. En toch twijfel ik of ik het wel zal doen.

 

Wie zou het interessant kunnen vinden om mijn ‘verhalen’ te lezen. Verhalen van een –eeuwige- psychologiestudent, die nog weinig heeft klaargespeeld in haar leven? Daarbij komt ook nog een andere twijfel, vind ik het zelf wel zo fijn als andere mensen mijn blog lezen, het voelt toch alsof het een dagboek is. Een online dagboek. Juist dat aspect lijkt me tegelijkertijd ook zo fijn. Zo schept het misschien wat orde in de chaos en zal het bepaalde beslissingen makkelijker te maken?

 

De laatste tijd heb ik het gevoel op een soort kruispunt te staan. Er verandert op dit moment veel in mijn leven en in de levens van mijn vrienden. Grote stappen worden gezet. Er is de afgelopen paar weken veel getekend in mijn omgeving. Is het niet voor een nieuwe baan, dan is het wel een nieuw huis. Ook worden de eerste baby’s geboren. Zelf, daarentegen, lijk ik wel stil te staan. Ik ben nog lang niet uitgestudeerd, laat staan afgestudeerd. En aan baby’s moet ik al helemaal niet denken. Begrijp me niet verkeerd, ik vind ze heel schattig, maar zelf zou ik op dit moment mijn vrijheid niet op kunnen geven. Wat mij betreft mag er nu wel op de ‘pauze’ knop gedrukt worden.

 

Natuurlijk zou ik graag afgestudeerd willen zijn, na inmiddels 7 studiejaren er op te hebben zitten. Alleen al vanwege het papiertje. En om de telkens terugkerende vraag: ‘wanneer ben je nou klaar met je studie?’ Ook vanwege financiele redenen zou het gunstig zijn. Mijn studieschuld groeit en groeit, maar mijn salaris groeit helaas niet evenredig mee. Maar als ik heel eerlijk ben, kan ik verder geen goede reden bedenken om afgestudeerd te willen zijn. Ik vind het heerlijk om te leven als eeuwige student. De vrijheid. Beter gezegd, dit is de makkelijkste manier om het maken van nog meer keuzes uit te stellen

 

Ik ben nooit een held geweest in kiezen. Chocoladeijs of citroenijs? Buiten spelen of tv kijken? Toen ik een jaar of zes was en ik met dit soort dilemma’s worstelde, was de oplossing nooit ver weg. Een wijs vrouw heeft mij ooit geleerd: ‘als je niet kunt kiezen dan doe je het allebei’. Met deze raad in mijn achterhoofd heb ik lang geleefd. Zo ook op het moment dat ik moest kiezen wat ik wilde gaan studeren. Psychologie of Godsdienstwetenschappen? Godsdienstwetenschappen of Kunstgeschiedenis? Kunstgescheidenis of Italiaans? Dan maar allebei. Dit bleek wat lastiger te zijn dan bij het ijsdilemma. Uiteindelijk, na drie keer de ‘verkeerde’ keus gemaakt te hebben, ben ik toch weer uitgekomen bij psychologie. Misschien wel omdat ik wil achterhalen waar mijn enorme angst voor het maken van keuzes vandaan komt.

 

Keuzestress is een bekend fenomeen in de moderne samenleving. Het is de angst om de verkeerde keuze te maken bij een overvloed aan opties. Vroeger volgde je je ouders op. Dan wel in hetzelfde bedrijf of professie als je vader, dan wel als huisvrouw net als je moeder. Nu pleit ik er absoluut niet voor om terug in de tijd te gaan, begrijp me niet verkeerd, maar dat er inmiddels veel meer keus is dan 100 jaar geleden lijkt me evident. En niet alleen wat betreft de invulling van je professionele leven. Loop een supermarkt in –wat ik overigens niet graag doe, misschien juist wel om deze reden- en je wordt overspoeld met minstens zeven varianten van elk willekeurig product.

 

Hoewel het inmiddels duidelijk mag zijn dat het maken van een keuze niet mijn sterkste kant is, kan ik met enige trots melden dat ik er zojuist toch twee heb gemaakt. De eerste keuze is dat ik mijn studie psychologie zal afmaken aan de Open Universiteit. Enigszins noodgedwongen door enerzijds de bureaucratie van de reguliere universiteiten, anderzijds door de beruchte langstudeerboete die eraan zit te komen. De andere keuze die ik heb gemaakt, is dat ik toch –eindelijk- ga bloggen. Met het risico dat niet veel mensen – behalve mijn moeder- het interessant zullen vinden, maar misschien wordt het met het bijhouden van een online dagboek allemaal wel veel helderder… En makkelijker kiezen?